Het ‘Shetlands’ mysterie 1928-1970

Het ‘Shetlands’ mysterie 1928 – 1970

De kudde ‘Shetlands’ in Castle Milk Park in 1964. Een van de oudste bekende kleurenfoto’s van Castlemilk Moorits. Copyright: Dr. Alastair Cameron.

Tijd van experimenten

De voordelen benoemd van een kruising van een ‘Siberische Mouflon’ en een Shetland. Copyright: http://www.britishnewspaperarchive.co.uk, The Illustrated London News, 11 oktober 1919, p. 564

In het begin van de 20ste eeuw werd al veel geëxperimenteerd met  kruisingen tussen  primitieve en meer moderne schapenrassen.
Zo had bijvoorbeeld de heer Henry Elwes, in samenwerking met professor James Cossar Ewart van de universiteit van Edinburgh het doel nieuwe rassen te ontwikkelen die goed bestand waren tegen alle weersomstandigheden en alleen op een dieet van gras konden overwinteren.
Ook zouden dergelijke schapen geen beschutting nodig moeten hebben bij het aflammeren en het grootbrengen van de lammeren.
Op een slachtrijpe leeftijd van anderhalf jaar, zouden deze rassen kwalitatief goed, mager vlees moeten opleveren. Last but not least zou ook de mooie zachte wol, geschikt voor het maken van kleding, een kenmerk van dit ras moeten zijn.

Een voorbeeld van een Siberische ram. Bron: “Roslin glass slides”, University of Edinburgh Collections, licentie CC BY-NC-SA 4.0

Dit laatste aspect, mooie zachte wol, was een belangrijk aandachtspunt voor professor Ewart.
Hij kruiste verschillende schapenrassen, waaronder roodbruine (Moorit) Shetlands, met (nakomelingen van) bruine ‘Siberische Mouflon’ schapen.
Dit leverde nakomelingen op, ‘Shetland-Siberische’ schapen, die niet alleen meer, maar zeker ook kwalitatief hoogwaardige wol opleverden. Van zo’n goede kwaliteit dat deze als vervanger van Alpacawol kon worden gezien, en in vergelijking met de wol van de oorspronkelijke Moorit Shetlands beter verwerkt kon worden tot bijvoorbeeld kledingstukken.

 

Copyright http://www.britishnewspaperarchive.co.uk, The Scotsman – 13 Juni 1922, p.8

Begin 1921 werd een kudde van 95 Moorit Shetland- en ‘Shetland-Siberische’-schapen verplaatst van Beechwood, Inverness, naar het Dumfriesshire’s landgoed Terregles. Dit landgoed ligt erg dichtbij het Castle Milk landgoed en een mogelijke uitwisseling van dieren is onderwerp van verder onderzoek.

Op het Castle Milk landgoed in het prachtige glooiende Schotse landschap, op slechts 30 kilometer afstand van het landgoed Terregles, werd geheel in deze tijdsgeest gewerkt aan een vergelijkbaar schaap, door Sir John (‘Jock’) Buchanan-Jardine ‘Shetlands’ genoemd. Dit waren de voorouders van wat later het Castlemilk Moorit schaap zou gaan heten.

De ‘Shetlands’

Castle Milk, St Mungo, Dumfries and Galloway (foto: briefkaart).

Sir John Buchanan-Jardine, baron van het Castle Milk landgoed, was een man met een eigen, onafhankelijke kijk en visie.  Behalve expert op het gebied van bomen zoals de eik, de acer en de lijsterbes, was hij  ook een groot dierenliefhebber en een bekend fokker van bijvoorbeeld het Galloway rund en het jachthondenras de Dumfriesshire Foxhound.

De ‘Shetlands’ werden waarschijnlijk vanaf 1928 door Sir John Buchanan-Jardine ‘ontwikkeld’. Naast deze ‘Shetlands’ hield hij nog andere schapen op het landgoed zoals de South Country Cheviots, Dorset Horns, Wiltshire Horns,  Lonks en het Black Welsh Mountain schaap.

Sir John Buchanan-Jardine. Copyright http://www.britishnewspaperarchive.co.uk, The Sketch – 25 Juli 1928, p.169

Sir John had iets met bruinrode kleuren. De bomen die op het landgoed werden aangeplant kenmerkten zich door schitterende herfstkleuren.  De kudde zwarte Galloways die hij erfde veranderde na de Tweede Wereldoorlog naar bruin. Hij stak hierbij veel energie in het op de kaart zetten van deze bijna verdwenen kleurslag (‘dun’). Hetzelfde gold voor de melkkoeien. Ook de jachthonden die hij ontwikkelde hadden allemaal een bruine kleur.

De roodbruin (moorit) gekleurde ‘Shetlands’ waren een persoonlijke hobby van Sir John en werden niet vanuit economische motieven gehouden. De wol was wel belangrijk, deze werd verwerkt tot waterafstotende kledingstukken voor Sir John en zijn familie. Hield hij van het overige vee en de jachthonden alles zeer gedetailleerd in boeken bij, dit was voor zijn ‘Shetlands’ zeker niet het geval. Gelukkig is het enorme brievenarchief (de zogenaamde ‘Letterbooks’) van het landgoed bewaard gebleven met daarin een schat aan informatie, ook over de schapen.

Hoe de ‘Shetlands’ precies zijn ontstaan is tot op heden nooit helemaal duidelijk geworden. Hoewel Sir John altijd over ze sprak als zijn ‘Shetlands’, is in ieder geval zeker dat ze niet alleen afstammen van het Shetland schaap zoals wij dat heden ten dage kennen. De witte kleurmarkeringen, het type wol, de hoorns en de vorm van de hoorns bij zowel ooien als rammen en de grootte van het schaap zijn duidelijk anders dan bij het Shetland schaap. Allemaal kenmerken die afkomstig lijken te zijn van meerdere primitieve schapenrassen. De grote vraag is alleen: van welke dan?

Zijn voorliefde voor de kleur bruin zette Sir John aan tot de aanschaf van ook schapen in die kleur. Uit de bewaarde brieven blijkt dat hij in september 1928 van het Ballindalloch landgoed  in Banffshire de eerste 14 ooilammeren laat overkomen. Welk ras hij precies aankocht wist hij niet van te voren, zijn voorkeur voor  rastypische en bruine dieren werd wel meegegeven richting de verkoper:

De brief met daarin de bestelling voor de eerste 14 dieren, 28 augustus 1928. Met dank aan Sir John Christopher Buchanan-Jardine. Opvallend is het voornemen om deze schapen te gaan kruisen met een Lonk-ram.

Ook blijkt dat hij meteen daarna, in oktober 1928, een aantal Shetland ooilammeren wil aanschaffen die door het Dupplin Castle landgoed in de buurt van Perth werden aangeboden.

John ‘Sheepie’ Smith (‘Auld Sheepie’), Berry Farm, Scalloway. Samen met zijn dochter op de Shetland pony en haar vriendin op een Moorit Shetland ram. Begin jaren 30. Copyright: Shetland Museum

Die koop ging echter niet door omdat hij uiteindelijk toch liever volwassen dieren wilde.

Die vond hij bij John Smith, Berry Farm, Scalloway, een vee- en wolhandelaar in het Shetlandse Mainland.

Geen onbekend iemand, het was de oprichter van het nog steeds bestaande bedrijf Jamieson & Smith Shetland Wool Brokers op Shetland, het grootste wolhandelsbedrijf op Shetland.

De eerste groep kwam al  in November 1928, de tweede groep in Januari 1930. De bijbehorende brieven vermelden alleen ‘Mourat’ gekleurde Shetlands. Aantallen worden niet genoemd. Duidelijk is dat deze Shetland kudde de basisgroep vormde voor zijn experimenten om uiteindelijk te komen tot zijn geheel eigen schapenras.

Shetlands Castle Milk, jaren 30. Copyright Sir Rupert Buchanan-Jardine. Op deze foto is een aantal gekruiste dieren te zien. Helemaal rechts is een kleiner gehoornd schaap met Mouflon tekening te zien (ook op de poten).

De Shetlands graasden volgens ooggetuigen in 1930 op de zogeheten ‘golfbaan’ van het landgoed, een gedeelte van het park direct achter het huis waar ze ook in latere jaren werden gehouden. Op de foto van de kudde uit de dertiger jaren, gemaakt door Sir Rupert (de zoon van Sir John), is duidelijk te zien dat het specifieke ras Castlemilk Moorit als zodanig nog niet bestond.

De volgende belangrijke aanwijzing komt uit een brief van 15 oktober 1930 gericht aan de heer I. W. Parnell van het Animal Breeding Research Department van de universiteit in Edinburgh. Hierin wordt geschreven dat er een aantal fokexperimenten wordt uitgevoerd met de schapen. Onder andere wordt aangegeven dat er kruisingen plaatsvinden tussen een Moeflon ram en Lonk ooien. Uit andere brieven uit die tijd komen experimenten naar voren met Dorset Horns, Wiltshire Horns en de ‘Shetlands’.
In een krantenartikel van 3 februari 1930, een verslag van een bezoek van maar liefst 130 landbouwstudenten aan het landgoed, wordt de aanwezigheid van een ram, een kruising tussen een Dorset Horned en een Shetland beschreven:

Copyright: http://www.britishnewspaperarchive.co.uk, The Scotsman, 3 februari 1930.

Uiteindelijk won de persoonlijke voorkeur voor bruin en werd met de schapen van die kleur verder gefokt.  De brief van 15 oktober 1930 is de enige brief waar melding wordt gemaakt van de aanwezigheid van een Moeflon ram op het landgoed. De aanwezigheid van deze ram, waarschijnlijk afkomstig uit een dierentuin, werd later herhaaldelijk bevestigd door de zoon van Sir John, Sir Rupert Buchanan-Jardine. Deze ram is waarschijnlijk de verklaring voor de kenmerkende Moeflon tekening bij de huidige Castlemilk Moorit schapen. Een andere mogelijke verklaring is het experiment van Sir John geweest met een ‘blonde’ Soay-ram. Alleen vond hij de nakomelingen te klein en werden alle dieren geslacht.

1932 – Sir John met 2 ‘Shetland’ rammen. Opvallend zijn naast de grootte van de dieren, de lichte onderpoten van de voorste ram en de lichte vlek op het voorhoofd van de achterste ram. Copyright: http://www.britishnewspaperarchive.co.uk, The Tatler, 28 september 1932, p.28

Daarnaast is er een aantal aanwijzingen die het gebruik van Manx Loghtan rammen bij het ontstaan van dit ras bevestigen. Zo zijn er meerdere verhalen bekend dat in de begin jaren dertig vanaf de Isle of Man Manx Loghtans naar Castlemilk zijn verstuurd. Een andere goed beschreven uitruil van rammen in 1936 tussen Sir John en Edward Christian uit Ballacallin op het Isle of Man bevestigt het gebruik van een Manx Loghtan ram door Sir John.

Als volgende  aanknopingspunt is er een brief uit 1934 gericht aan het secretariaat van de Wiltshire Horn Sheep Society. Hierin wordt aangegeven dat dit ras is gebruikt om te kruisen met de ‘Shetlands’ met als resultaat ‘een erg goede vacht, zoals Sir John wenste’. Het gebruik van de Wiltshire Horn in deze is opvallend omdat dit vooral een vleesras is, juist gekenmerkt door extreme kortwolligheid…

Uit krantenartikelen van april 1939 blijkt dat een voorstel van Sir John aan de organisatie van de Highland Show om een aantal ‘wilde’ Shetland schapen in Edinburgh tentoon te stellen wordt geaccepteerd.

Acht ‘Shetland’ schapen worden gepresenteerd waaronder 3 zwarte en 3 moorit ooien. Onderstaand het verslag uit de tentoonstellingscatalogus:

Een beschrijving van de tentoongestelde dieren en het ras. Bron: Catalogue of Stock, Highland Show Edinburgh, 1939. Met dank aan de RHASS.

Vervolgens is gedurende de veertiger jaren een gat in de informatie over het fokprogramma. Wel is duidelijk dat er in de eerste helft van de jaren veertig weer een ram van Sir John naar het Isle of Man verhuisde. Dit keer naar Sir Mark Collet, Manx Loghtan fokker in Ballamanaugh in Sulby, die mogelijk ook de Manx Loghtans van Edward Christian had overgenomen (bron: The Countryman Magazine, Vol. XXXIII, autumn 1945, p.36-37). Uit een verslag uit mei 1949 van de heer J. F. Robinson van het Animal Breeding and Genetics Research Organisation komt naar voren dat binnen deze kudde zes 2de jaars ooien aanwezig waren die gedekt waren door een ‘Shetland’ ram. Deze ram en ooien hadden de kenmerkende Mouflon tekening. In 1947 zou deze ram geslacht zijn vanwege zijn temperamentvolle karakter (hij doodde twee rammen van de buren…). In 1953 werd deze Manx kudde met gekruiste dieren overgedragen aan het Manx Museum. Op onderstaande foto’s, gemaakt in 1953, is bij de kruisingen van deze ‘Shetland’ ram en de Manx Loghtans het huidige meer elegante Castlemilk Moorit type al duidelijk zichtbaar.

Nakomelingen in 1953 van de ‘Shetland’-ram van Sir John gekruist met Manx Loghtans. Copyright: G. Kenneth Whitehead, The Old House, Withnell Fold, Chorley. Met dank aan het Manx Museum, Isle of Man.

Interessant is ook een foto van een kudde ‘Shetlands’, uit februari 1950, van de boerderij “Lower House Farm’ in Cranleigh. Deze boerderij had als bijnaam ‘The Buff Farm’. Had Sir John een duidelijke voorkeur voor (rood)bruin, de eigenaar van deze boerderij, dhr. T. O. Mills,  had ganzen, eenden, kippen, geiten, schapen en koeien allemaal in de kleur (licht)bruin (buff). De kudde ‘Shetlands’ van deze boerderij vertoont een grote gelijkenis met het latere Castlemilk Moorit schaap. Op onderstaande foto is bij alle schapen duidelijk de Mouflon tekening te zien. Ook zijn alle dieren gehoornd, zijn ze gelijkmatig (en lichter) gekleurd en wat type betreft lijken deze schapen, ondanks duidelijk kleiner en minder elegant, veel op het uiteindelijke Castlemilk Moorit schaap. Misschien zijn het Soay schapen, in ieder geval is een directe relatie met het Castle Milk Estate (nog) niet naar voren gekomen.

Copyright: http://www.britishnewspaperarchive.co.uk, Illustrated Sporting and Dramatic News, Sport & Country, 8 februari 1950, p.92
Een vacature voor een herder voor Castle Milk Home Farm, augustus 1944.

Op het Castle Milk landgoed volgden de schaapherders elkaar in de loop der jaren op.
William (Willie) Morrison was de laatste herder van het landgoed, van 1949 tot aan zijn pensioen in 1971. De kudde bestond in zijn jaren uit een zestigtal ooien en 2 tot 3 rammen.

William Morrison, herder Castlemilk Estates. Met dank aan Mw. M. Mitford.

William Morrison herinnerde zich dat Sir John altijd zelf de dieren voor het fokprogramma uitzocht en dat er gedurende de periode dat hij herder was geen andere schapen geïntroduceerd werden in de ‘Shetland’-kudde.  Ondanks dat er in 1955 bijvoorbeeld wel een vier-hoornige  Manx Loghtan ram overkwam. Deze ram zou volgens Willie echter niet gebruikt zijn omdat Sir John geen vierhoornige schapen wilde.
Ook is sprake geweest van het inzetten van een tweetal donkerkleurige Soay ramlammeren op drie of vier ‘Shetlands’. Maar ook hier werd niet verder mee gefokt.

Shepherds house, Kettleholm. Links het huis van William en Margaret Morrison. Met dank aan Mw. M. Mitford (foto: briefkaart).

Uiteindelijk bleef het al die jaren een gesloten kudde waarbij het latere  Castlemilk Moorit schaap zijn rastypische eigenschappen ontwikkelde en zuiver kon overdragen.

Bronvermelding: De informatie op deze webpagina is met goedkeuring van de oorspronkelijke auteur Peter Wade-Martins mede ontleend aan: ‘The Origin of  Castlemilk Moorits’ uit ‘The Manx Loghtan Story, The Decline and Revival of a Primitive Breed’, gepubliceerd door ‘Geerings of Ashford in Association with The Rare Breeds Survival Trust’, 1990, p. 90-96 en ‘The Puzzle of the Castlemilks Finally Solved’, The Ark (1st series) Volume XIX nr. 6 Juni 1992, p. 311-313.